Streekcultuur van Twente
In een tijd die steeds zakelijker wordt en door snellere communicatie dan vroeger nivelleert is er als tegenstelling ten opzichte van steeds meer beton en nuchterheid een groeiende belangstelling voor de eigen regio te constateren.Dat geldt ook voor de regio tussen Dinkel en Regge: Twente.
Mensen uit andere delen van Nederland reizen naar Twente om daar de traditionele boerderijen, akkerwallen en natuurreservaten te zien en te bewonderen. Een gevoel voor romantiek heeft er mee te maken, maar ook het zoeken naar iets eigens en bijzonders, dat elders al weggesaneerd is. Twente is één van de karakteristieke regio's van Nederland, waarin de streekidentiteit landschappelijk nog sterk voelbaar is, ondanks industrialisatie en schaalvergroting.
Essen
In grote delen van Twente liggen de essen, die sinds de Karolingische tijd via de boeren door humus en mest gevormd werden, temidden van lagere en vroeger moerassige gebieden. Dan ligt een kransvormige vestiging aan de esrand nogal voor de hand, zoals we die prachtig zien in Usselo. Flankesdorpen zijn bijvoorbeeld Elsen en oorspronkelijk ook Enter. Daarbij liggen de boerenerven aan één zijde van het glooiende bouwland, met hun grijze rieten daken. Nabij de Dinkel, rondom Denekamp is het land der eilandessen.
Boerenleven
Het oude Twentse boerenleven berustte op vaste voorschriften en rituelen, naast de dagelijkse werkzaamheden. De noaberschop ging uit van een zevental buren aan iedere zijde van de boerderij , die elkaar in geval van nood hielpen (oogst,zorg, sterfgevallen). Door de technologie en andere moderniseringen plus nieuwere boerderijtypen is het essenlandschap al sterk veranderd. Nu domineren silo`s en ligboxenstallen in het Twentse coulissenlandschap. De planologie zoekt naar een evenwicht tussen behoud van oude elementen en vernieuwing.Het 'verstenings'-gevaar ligt op de loer.
Pinksterbruid
Op Pinksteren, het feest van de uitstorting van de Heilige Geest, gingen in Noordoost-Twente traditioneel jonge meisjes rond om bij de boerderijen gaven en eieren op te halen in korfjes. Dit gold voor katholiek Twente. In Groot-Agelo hadden ze wit-gele sjerpen om. In Borne zijn ieder jaar met Pinksteren op het Dorsetplein groepjes in het wit geklede kleine meisjes te zien, Pinksterbruidjes, die dansjes rond de Pinksterkroon uitvoeren.
Kanaal Almelo-Nordhorn
foto: B. Kanter
Het uit de negentiende eeuw daterende kanaal Almelo-Nordhorn is gegraven vanwege de grensoverschrijdende scheepvaartverbinding van destijds. Momenteel is deze waterweg een oase van rust in het Twentse land, waar vissers en toeristen de dienst uitmaken. Er zijn discussies over het opnieuw bevaarbaar maken, maar natuurminnaars prefereren de huidige situatie.
Andere waterwegen
Voor beken in Twente gold nog in de negentiende eeuw: varen waar geen water is. Op de Twickelse vaart werden gedeelten kunstmatig opgestuwd om de zompen door te kunnen laten (platbodemvaartuigen). Het Twentekanaal werd in de periode 1930 - 1936 met de hand gegraven. In 1938 werd de zijtak Wiene-Almelo geopend. Er is een fraai evenwicht tussen water en omringend landschap ontstaan, in het voormalige "land van katoen en heide". Af en toe waren er overstromingen, vooral rond 195O.
Vlöggelen
Op beide Paasdagen vindt ieder jaar in Ootmarsum een waardige Paasprocessie plaats, onder leiding van acht "Poaskearls", ongetrouwde jonge mannen.
foto: B. Kanter
Ieder jaar worden er twee leden vervangen door nieuwe, steeds gekleed in lichte regenjas en hoed. Ze moeten inwoners van Ootmarsum en rooms-katholiek zijn. Op eerste en tweede paasdag trekt een lange slinger van mensen onder leiding van de 'poaskearls'. Er worden christelijke Paasliederen gezongen: het is een duidelijk katholiek gebeuren. `s Avonds wordt het Paasvuur ontstoken.
Paastaakslepen
In Denekamp wordt de paasstaak, voorzien van een teerton, pas op de middag van de eerste paasdag gehaald, waarvoor dan op het landgoed Singraven een boom gekapt werd.Terwijl de mensen paasliederen zingen wordt de staak, eigenlijk een vroege meiboom, naar de locatie gesleept waar het paasvuur ontstoken zal worden. Het tikken en eten van Paaseieren is in geheel Twente bekend.
Stiepelteken
Een uitneembare stutpaal, in de streektaal 'stiepel' geheten, scheidt de grote inrijdeuren van het 'nienende' (benedeneind). In het optisch midden(onder groen, boven wit geschilderd) bracht de boerentimmerman een onheilafwerend teken aan. De ingangen van het huis konden zo tegen ongure elementen geestelijk 'beveiligd' worden. De zandloper of het maalkruis, soms bekroond door een katholiek 'kruuske', wordt met een guts uitgebeiteld. De paal wordt onder donkergroen geschilderd, boven wit.
Gevelteken
-paardekoppen
De oudste vorm van 'geveltekens' ontstaat daar waar de windveren van de grote houten geveltop elkaar kruisen. De uiteinden worden uitgezaagd als gestyleerde paardekoppen. Hoewel de Germanen bij hun huizen een staak met paardeschedel hadden, lijkt het in aansluiting bij het Nedersaksische gebied dat tot de Oder loopt, logischer deze sier te verklaren als waardering voor het paard in de landbouw. In Twente was een 'dree-peerdsboer' meer in tel dan een collega die maar twee, één of helemaal geen paard had. Arme noabers leenden vaak een paard van rijkere boeren (gewaard in de marke).
-katholieke geveltekens
Noordoost-Twente bleef ook na het vertrek van de Spanjaarden in 1626 (val van Oldenzaal) rooms-katholiek. Dat hield in dat de Contra-Reformatie ook volop succes had in dit gebied, waardoor typisch katholieke symbolen als geloof, hoop en liefde, Maria en Johannes onder het kruis, kelk en hostie uit een langwerpige eikenhouten plank uitgezaagd werden. Deze roomse geveltekens vinden we tussen Mariaparochie, Hengelo en Glanerbrug, tot aan de Duitse grens. Ze hebben natuurlijk een beperkte houdbaarheid: prijsgegeven aan weer en wind. Na 8O jaar of korter ( geen 'eeuwig levende tekens') worden ze dan vervangen door de boerentimmerman of de bewoner van huis of boerderij. Ook aan boerenschuren, bakhuizen en waterradmolens komen ze veel voor.
-protestantse geveltekens
In de Bijbel staat geschreven: 'Gij zult u geen geschreven beeld maken'. Denk u nog maar eens aan de Beeldenstorm van 1566. Protestanten hebben een abstracte geloofsbeleving. In west-Twente is Vriezenveen een goed voorbeeld van een nederzetting met op de nok van de houten topgevel gestyleerde, sterk decoratieve geveltekens van Protestantse signatuur.De Lodewijk XVI-stijl plus Empire hadden invloed op de evenwichtige silhouetten van deze houten siermotieven, minder rijk dan in katholiek Twente.
Nieuwjaarsijzers
In Twente kennen we al heel lang nieuwjaarskoeken die boven het open vuur of in een fornuis ( nu: electrisch) met het gesmede nieuwjaarsijzer gebakken werden. Dit scharnierende ijzer werd in opdracht door de smid van dorp of stad geleverd. In de ronde of rechthoekige bladen werden na de Reformatie namen en voorletters van de echtelieden t.g.v. de bruiloft gegraveerd, soms gecombineerd met voorstellingen uit de landbouw of de streekcultuur. Paard en wagen komt ook veel voor, vooral in de Graafschap Bentheim. Het Van Deinse Instituut bezit een fraaie collectie van nieuwjaarsijzers uit Twente. Ze dateren in het algemeen uit de periode 175O - 19OO. De nieuwjaarskoeken werden vaak om een stokje opgerold.
Onderwijs
Na 19OO kwam er in het onderwijs steeds meer belangstelling voor de streekcultuur. Dat uit zich in boekjes over heemkunde,in de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Momenteel heet heemkunde omgevingskunde, en zijn er meer verfijnde lesmethoden ontwikkeld die de gebouwde omgeving en de regionale cultuur tot onderwerp hebben. De leerlingen van de hoogste klassen van de basisschool en van de eerste klassen van het hoger onderwijs zijn degenen die de doelgroep zijn van het omgevingsonderwijs.
Boavenkamer of endkamers
In het "los hoes", waarin mens en dier onverdeeld onder één dak samenleefden ontstond in de periode vanaf 175O als apart aangebouwd woonvertrek de 'boavenkamer' of 'endskamer'. Dit rechthoekige vertrek bevatte meestal bedsteden en een apart los vuur. De oudere boer en boerin werden hier vroeger in ondergebracht, en ook wel klopjes. Dit waren ongehuwde, katholieke boerenvrouwen, die tot 19OO de pastoor assisteerden. In Noordoost-Twente waren er honderden, en ze werden ook wel 'geestelijke dochteren' genoemd.
Put
De putten uit de late middeleeuwen in Twente waren uitgeholde boomstammen, die bij opgravingen vaak werden aangetroffen, zowel op het platteland als in de stadjes. In hartje Enschede werden in later tijd putten van Bentheimer zandsteen aangetroffen, die we sinds 15OO ook als gemeenschappelijke watervoorziening in stadjes als Ootmarsum vinden. Er waren twee typen: vierkant en rond. Onmisbaar was uiteraard de 'puttenpost' en de 'putscheere', een houten hefboom om gemakkelijk via een emmer water uit de putschacht te kunnen halen. Op het erve Kolthof bij Almelo vond men een put van zandsteen, die via een gevonden kogelpot al in de periode 11OO tot 12OO gedateerd kon worden. Op de bodem werd ook een putemmer van hout aangetroffen. Door de waterleiding raakten de putten na 194O in onbruik.
Bakhuis
Alleen grote boeren konden zich in Twente een 'bakhoes' permitteren, zoals het erve de Mast bij Vasse. Daar staat ook nu nog een fraai exemplaar van vakwerk met baksteenvullingen, met een onder een lessenaarsdakje aangebouwde oven. Bouwperiode: begin negentiende eeuw. In de voorverwarmde oven werd 'stoete' gebakken. Elders in Twente ging het om bakstenen gebouwtjes met lager aangebouwd oventje, voorzien van S-pannen.
De Twentse taal
Dat Nederland al sinds mensenheugenis een multiculturele samenleving is blijkt wel uit de bonte verzameling van streektalen die binnen onze landsgrenzen gesproken worden. Talen die zelfs veel ouder zijn dan de standaardtaal Nederlands: Limburgs, Hollands, Fries, Nedersaksisch, enz.
Het Nedersaksisch wordt in het noorden en oosten van Nederland en in een groot deel van Duitsland gesproken. In Overijssel behoort het Twents tot die Nedersaksische taal. Het Nedersaksisch is in 1996 als minderheidstaal erkend door de Europese Unie.Volgens recent onderzoek (voorjaar 2003) van Rijksuniversiteit in Groningen beheerst 75% van de bevolking in meerdere of mindere mate het Twents. Volgens datzelfde onderzoek wordt het Twents in zo’n 60% van de gezinnen gesproken.
Lang geleden werd er ergens in het oosten van Europa een taal gesproken, die als bron kan worden beschouwd van alle Europese talen. De sprekers van die “oertaal” (Indogermaans) verspreidden zich en de groepen die richting westen trokken splitsten zich weer op in allerlei subgroepen, zoals de Italiërs, de Balten en de Germanen. Deze laatste groep trok in noordelijke richting en sprak wat wij nu noemen het “Oergermaans”. Rond het begin van de jaartelling vestigt zich een Germaanse volkengroep – de Saksen - in het noordoosten van Duitsland en in het oosten van Nederland.
Aanvankelijk bestond er een groep nauw verwante West - Germaanse dialecten, maar met de groei en verspreiding van het West - Germaanse volk vormde zich de bakermat van de moderne talen in Engeland, Nederland, België en Duitsland. De dialecten van het noorden, het Oudsaksisch, Oudfries, Nederfrankisch (de voorloper van het Nederlands) en het Engels bleven veel op elkaar lijken.
Tot op de dag van vandaag zijn er in de verschillende talen nog veel overeenkomsten te vinden: gadderen (bijeen rapen) met together; knief (mes) met knife; tweeduustern (schemering) met twilight; toen (omheining) met Zaun en town; schoer (bui) met shower; luk (beetje) met little; sproak (taal) met Sprache; hoes (huis) met Haus en house; enz.
De huidige globalisering gaat gepaard met een toenemend bewustzijn van de eigen identiteit en een opleving van de streektalen. De streektaal is voor de Twentenaar iets persoonlijks, waar hij niet mee te koop loopt. Hieraan herkent men dan ook de aard van de bevolking: niet op de voorgrond en “de kat uit de boom kijken”. Om maar eens een paar karaktereigenschappen (of vooroordelen?) te noemen. Vergelijkbaar met de kneu, het vogeltje dat leeft op de zandgronden en in het Twents “tukker” wordt genoemd. Zou daar de bijnaam voor de Twentenaar “Tukker” vandaan komen?
Ondanks de toenemende belangstelling voor deze oude taal denken nog steeds veel mensen dat het beter is om hun kinderen ééntalig op te voeden: in het Nederlands. Een reeds lang achterhaalde gedachte: een kind dat tweetalig wordt opgevoed ontwikkelt een beter taalgevoel en zal later makkelijker een derde, vierde of zelfs vijfde taal aan kunnen leren. In juni 2000 hebben 150 taalsociologen een manifest ondertekend waarin wordt gepleit voor het aanleren van de “moodersproak” naast het Nederlands. Ik doo Twents! Iej toch ok? Maak van oew gesprek gin gebrek, proat Twents: in de weenkels, op stroat, op oew weark, in hoes en met de keender! Iej zölt zeen dat de leu oe begriept en waardeert.
Goodgoan,
Bert Groothengel |