Historie Familie Benneker en Bode - Rossum

Tot zover nu bekend is liggen de roots van de Familie Benneker in Rossum

Interessante Links:

http://www.plechelmus-parochie.nl

http://www.dorp-rossum.nl

Onderstaande informatie heb ik van de site:

http://www.dorp-rossum.nl

http://www.plechelmus-parochie.nl

Terug naar Historie Benneker-index

 Laatste wijzigingen: zondag 11 maart 2007

 

 

Het Twentse dorp Rossum maakt deel uit van de Gemeente Weerselo
en is gelegen aan de weg Oldenzaal-Ootmarsum. Het dorp, met het
omliggende buitengebied, heeft ongeveer 2800 inwoners.

Het dorp is op sportief gebied bekend geworden door springruiter
Jos Lansink en vierspanmenner
Theo Weusthof. Ook de volleybalster Elles Leferink, in de zomer van 1996 aktief
in Atlanta met het Nederlands team, is een geboren Rossumse.

En dan hebben we in 2002 onze vierspanner
Marc Weusthof die mag deelnemen aan de WK voor vierspannenen...... met de Nederlandse ploeg goud heeft gewonnen.

Verder worden in 2005 opnamen gemaakt in Rossum voor de de eerste
Twentse Soap
"Van Jonge Leu en Oale Groond".

Voor de toerist loont het de moeite om eens een bezoek aan het dorp
te brengen. Het dorp heeft een prachtige omgeving wat uitnodigt tot
het maken van fietstochten of een wandeling. Onder de rubriek
Fietsen in de omgeving van Rossum.
kunt u enkele fietstochten vinden rond Rossum.

Na de fietstocht zijn er dan de horecagelegenheden om uit te rusten
en er zijn twee campings om te overnachten.
Hotelovernachting is mogelijk in Ootmarsum en Oldenzaal.

Verder heeft Rossum nog een paar prachtige Buurtschappen aan de west- en
oostzijde van het dorp t.w. Lemselo en Volthe.

Kijk ook eens op de site van
www.twenteroute.nl voor
nog meer informatie over Rossum en heel Twente.

Onderstaande informatie heb ik van de site: http://www.plechelmus-parochie.nl

Het ontstaan van Rossum.

In de 9e eeuw is in het Duitse Werden (Ruhrgebied) door Ludgerus, de bisschop van Munster, een klooster gesticht voor de priesteropleiding. Karel de Grote en zijn opvolgers hebben het klooster begiftigd met grote bezittingen in Twente. Een lijst uit het jaar 855 vermeldt 43 boerderijėn en ook voor het eerst de naam Rothem (Rossum), Uuluht (Volthe) en Lamesloe (Lemselo). Van de 43 boerderijėn stonden er 2 in Rossum en 2 in Volthe. Het is niet met zekerheid bekend welke boerderijėn dat waren.

Het oude gedeelte van het kerkhof in RossumGedurende de 9e en de 10e eeuw hebben deze gewesten veel geleden van de tochten van de Noormannen. Dat er bij plunderingen veel is verwoest is wel zeker en waarschijnlijk ook het kerkje van Oldenzaal. In de tweede helft van de 10e eeuw werd het in deze streken rustiger. In 954 heeft bisschop Balderik in Oldenzaal een kapittel gesticht en werd het een kerkelijk middelpunt van Twente.

Ook heeft hij in dat jaar aan de in Oldenzaal gebouwde stenen kerk de naam van Plechelmus gegeven. De relieken van Plechelmus zijn toen ook naar Oldenzaal overgebracht. In Oldenzaal stond nu één van de negen collegiale kerken van het bisdom Utrecht (vijf kapittelkerken stonden in Utrecht en de overigen in Oldenzaal, Deventer, Tiel en Emmerik). De Plechelmuskerk was daarmee een van de hoofdkerken van het bisdom geworden. Twente was toendertijd een van de elf aartsdiakonaten van het bisdom Utrecht. Als direkte vertegenwoordiger van de bisschop stond een aartsdiaken aan het hoofd, gewoonlijk de proost van het kapittel. Het kapittel bestond naast de proost uit een deken en vijftien kanunniken. De proost oefende dus in Oldenzaal het hoogste gezag uit. Zijn aanzien en invloed waren niet gering want ook in het stadsbestuur en de markeaangelegenheden woog dikwijls sterk de stem van het collegiaal college. Verder had de proost de bevoegdheid om pastoors en kapelaans aan te stellen en eventueel te schorsen en mocht hij zelfs het vormsel toedienen.

R.K. Kerk H.Plechelmus in RossumOok hield hij of zijn plaatsvervanger twee keer per jaar een rechtzitting, het zogenaamde sendgericht, waarbij recht gesproken werd in misdrijven, die verband hielden met gebed en zeden. De eigenlijke zielzorg berustte niet bij de proost van het kapittel maar bij de pastoor. Voor 1570 werd er gewoonlijk een onderpastoor aangesteld. Dit was over het algemeen een van de kanunnikken. Ongunstig was dat hij zijn ambt maar korte tijd bekleedde. De kanunniken woonden eerst in kloostertuinen rondom het kerkhof en naderhand afzonderlijk verspreid in de stad. Tot hun taak behoorde het gezamenlijk zingen van de getijden. Verder hadden ze de zorg voor de kapittelschool, waarvoor gewoonlijk uit hun midden een leider benoemd werd. In de loop van de tijd groeiden de bezittingen van het kapittel en de inkomsten van de proost uit de proostdijgoederen waren behoorlijk. De kanunniken ontvingen ook inkomsten uit kerkelijke goederen, de zogenaamde prebenden. De rijkdom aan aardse goederen heeft in verschillende gevallen aan het geestelijk leven schade berokkend.

Terug naar Historie Benneker-index