![]() |
||||
![]() |
||||
|
De Geschiedenis van Oldenzaal
In deze en volgende pagina's probeer ik de lezer een beeld te geven van de geschiedenis en andere zaken van en over de stad Oldenzaal. De teksten over de Geschiedenis zijn afkomstig uit de Gemeentegids Oldenzaal. In volgende uitgaven ook aandacht voor de Boeskoolman en carnaval en kunst in Oldenzaal. Hoewel verre van compleet geeft dit een aardig beeld. Probeer ook de volgende link als je meer wilt weten over Oldenzaal. http://www.oldenzaal.nl of de St Plechelmus basiliek
het stadswapen

Het wapen van de stad Oldenzaal dateert uit 1819. In november van dat jaar stelde de Hoge Raad van de Adel dit wapen als volgt vast:
"...een schild van lazuur (=blauw) beladen met een Kruis van Goud (=geel, in de bovenste rechterhoek is geplaatst bet borstbeeld eens Bisschop van goud en gekeerd ter linkerzijde van bet Schild. Het Schild is gedekt met een Kroon van goud."
de historische achtergrond hiervan is de volgende: Vanouds waren stadsvlag en stadswapen van Oldenzaal getooid met de kleuren rood en wit die ook vlag en wapen van het Bisdom Utrecht tooiden (waar Oldenzaal in oude tijden al onder viel). Ook het wapen, waar toen al bisschop en kruis in waren te zien, was gelijk aan het wapen van het Bisdom, hetgeen indertijd gebruik was. Deze bisschop is niet, zoals velen denken, St. Plechelmus, maar de patroon van het Bisdom Utrecht, St. Martinus. Zowel stadsvlag als stadswapen in deze historische vorm en kleuren rood en wit zijn te zien op de oude stadsplattegrond uit p1. 1646 van Johannes Bleau. Van lieverlee schijnen, wellicht door toedoen van de vele malen dat Oldenzaal in vreemde handen kwam, vlag en wapen in deze oude vorm in onbruik te zijn geraakt, althans in officiële zin. Bij het begin van het Koninkrijk der Nederlanden heeft het Oldezaalse gemeentebestuur de Hoge Raad van Adel verzocht het stadswapen van definitief vast te stellen. Dit resulteerde in het besluit waarvan de tekst boven is weergegeven. Opvallend is, dat de Hoge Raad er kennelijk van uit is gegaan dat Oldenzaal op het moment van het verzoek geen officieel wapen meer had. Men gaf namelijk Oldenzaal niet de kleuren van het oude wapen maar baseerde deze op de kleuren van het Rijkswapen, blauw en geel (heraldische termen: lazuur en goud). het is ook mogelijk dat men dit deed, omdat het oude wapen nooit officieel in de oude kleuren was vastgesteld
Historie in nevelen gehuld
Na de troebelen van de grote volksverhuizing, tegen bet einde van de vijfde eeuw, reed zekere Diederik van Bern met zijn mannen een walburcht binnen orn er te overnachten, zo vertelt een heldendicht over deze Diederik. De walburcht lag op bet kruispunt van de wegen van Deventer naar Rheine en van Prüm in de Eifel naar het noorden. De naam luidde "Aldensaela".De walburcht zou de kleine, ronde versterking kunnen zijn geweest waarvan de grachtresten onder bet huidige ABN/AMRO-gebouw en bet stadhuis in bet Oldenzaalse centrum liggen. Het epos vermeldt dat Diederik na een kortstondig verblijf verder trok door het "Rinslowoud" en daar een enerverend avontuur beleefde met een olifant. Hij moet dus al gauw in een fantasiewereld ver buiten Oldenzaal hebben verkeerd. Dat is jammer, want de eerste sporen van deze oude stad stammen uit dat in nevelen gehulde tijdperk. Een uit 893 daterende landgoederenlijst van bet klooster in Prüm, overgeschreven in 1222, vermeldt Oldenzaal (Salia Vetus) voor bet eerst. Het klooster had onder meer bier zijn bezittingen. Prüm ligt in Duitsland, ongeveer 25 kilometer oostelijk van bet drielandenpunt. België Duitsland-Luxemburg. Uit historische bronnen is er weinig meer bekend dan dat omstreeks 650 de eerste poging tot kerstening van deze regio een dramatisch verloop heeft gehad. De prediker Gombe
rtus, broer van Nivardus, bisschop van Reims, zou in dat jaar in of in de buurt van Oldenzaal vermoord zijn. Ook is beschreven dat in 763 St. Lebuintts in ‘Olde Sala’ overleden zou zijn. Dat ‘sala’ kan zaal, of hof, of zelfs paleis betekenen. Dat de oorsprong van de stad in een versterkte hof van een regionaal heerser moet worden gezocht, of in een centrum van een vaag middeleeuws bestuurssysteem, is des te waarschijnlijker geworden door de vondst van die vroege gracht met omwalling. Tijdens de bouw van bet huidige stadhuis in 1965 en in 1978 bij de bouw van de ABN/AMRO-vestiging aan bet St. Plechelmusplein trof men in de ondergrond de bedding van het grachtje aan. Hoe de versterkte plaats er uitgezien kan bebben, valt af te leiden van een identieke plek in Twente, namelijk de Hunenborg bij Tilligte aan het kanaal Almelo-Nordhorn. In Nederland zou alleen de Zeeuwse hoofdstad Middelburg net als Oldenzaal ontstaan zijn uit zo’n vroeg middeleeuwse versterking. Er is goede grond voor de veronderstelling dat de walburcht ouder is dan de eerste bewoonde nederzetting in deze streek. Men heeft bijvoorbeeld in de bouwgrond heide gevonden. Dat kan er op duiden dat de versterking aangelegd is op een toen nog niet druk belopen terrein. Aangenomen wordt dat de aanleg heeft plaatsgevonden tussen de jaren 700 en 755, maar dat grijze verleden is, als gezegd, in nevelen gehuld.
Plechelmus als schutspatroon
De tweede kersteningspoging werd vanuit Utrecht gedaan. Utrechts derde bisschop, Gregorius, opvolger van Bonifatius, zond twee Angelsaksische zendelingen, Lebuinus en Marcellinus, naar het Oosten. De eerste vestigde zich in Deventer nog juist in het randgebied van de Frankische bestuursmacht, maar zou dus uiteindelijk in het Oldenzaalse overlijden. Marcellinus trok verder, tot diep in het barre Twente. Hij koos het vestinkje waar Oldenzaal uit zou voortkomen als steunpunt. Hij bouwde er een kerkje dat aan St. Silvester werd gewijd. In 780 werd dit kerkje door invallende Saksen verwoest. Na 800 wordt het dan rustiger in deze contreien, met name door de nederlaag van de Saksen tegen Karel de Grote (772-804). Over de negende eeuw is weinig bekend. De invallen van de Noormannen doen bisschop Radboud van Utrecht uitwij ken naar Deventer. Veilig achter de IJssel resideert hij daar tot zijn dood in 917. Zijn opvolger, Balderik van Kleef, verplaatst zi1n zetel terug naar Utrecht en neemt de wederopbouw van zijn bisdorn krachtig ter hand. Vooral deze Balderik is belangrijk geweest voor Oldenzaal, waar hij volgens sommige theorieën zelfs is geboren. Bisschop Balderik begon in 954 in Oldenzaal aan de bouw van een nieuwe, stenen kerk. Hij wijdde die aan de Heilige Plechelmus. Hij omheinde de immuniteit (de gewijde plaats) en stichtte er een kapittel. Tevens schonk hij de kerk de relieken van Plechelmus die oorspronkelijk in de kerk van Odilienberg bij Roermond begraven was. Op 11 juli 1049 kreeg Oldenzaal van keizer Hendrik III het marktrecht. De vorst gaf "op verzoek van zijn echtgenote Agnes, en om de trouwe diensten van Bernoldus, Bisschop van Utrecht, hem en zijn opvolgers verlof en macht om in de plaats Oldensale genaamd, in het land Twente gelegen, eenmaal per week, alle woensdagen, het hele jaar door, een markt te houden. En op 21 oktober, zijnde het inwijdingsfeest van de Plechelmuskerk, een jaarmarkt te houden, die twee dagen voor en twee dagen na het wijdingsfeest moest duren". Aldus een bewaard gebleven document. Rond 1249 kreeg Oldenzaal vervolgens zijn stadsrechten. Het oudste stuk hierover is een akte van 1296, waarin Jan van Sierk, bisschop van Utrecht, het privilege geschonken door bisschop Otto aan de burgers van Oldenzaal bevestigt. In dit stuk werden het verkregen erfrecht, de vrijheid en de rechtspraak opnieuw erkend. Men neemt aan dat die bewuste bisschop Otto III uit het Hollandse gravengeslacht is geweest, die van 1233 tot 1249 elect en bisschop van Utrecht was. Er zijn echter geschiedvorsers die een eerdere Otto als rneer voor de hand liggend beschouwen. Oldenzaal zou dan enkele decennia vroeger zijn stadsrechten hebben gekregen. In het verhaal over de stadsgeschiedenis is echter gekozen voor het overlijdensjaar van Otto III, zodat in elk geval van overdrijving geen sprake is als de oudheid van de stad Oldenzaal ter sprake komt. In 1999 kon de stad dan ook met een gerust geweten de 75Oste verjaardag van haar stadsrechten vieren.
Het oude komt weer boven
Door een aantal gebeurtenissen heeft de oude stadshistorie in het laatste decennium van de twintigste eeuw vrij veel aandacht gekregen. Veel historische documenten waaruit kan worden geput, waren er niet. Te vaak is Oldenzaal in zijn bewogen geschiedenis geplunderd en verwoestend in brand gevlogen. Zijn belangrijkste ‘archief’ zit in de grond onder het centrum. En daar is dan ook het oude weer boven
gekomen. Bij graafwerkzaamheden voor een bouwproject in de Steenstraat, tussen de Gasthuisstraat en de Ketwichstraat, werden bijvoorbeeld de resten van het Heilige Geestgasthuis teruggevonden. Gelukkig heeft het stadsbestuur, met eigenaar en bouwer samen, een tastbare herinnering aan dit stukje heel oud Oldenzaal zichtbaar kunnen bewaren, in het bouwwerk onder een glasplaat. Deze oudheidkundige verrassing ut ‘97 werd kort daarop gevolgd door een grotere, nl. het aantreffen van funderingen en vloeren van het St. Agnesklooster met bijgebouwen, kapel en kerkhof, met waterputten en andere vondsten uit de late middeleeuwen. Het klooster blijkt aanzienlijk groter te zijn geweest dan doorgaans werd aangenomen. Er zijn, vooral door de inspanningen van plaatselijke amateur-archeologen, duizenden voorwerpjes, potscherven, stukken glas, stukjes kleding zelfs, verzameld en in het jubileumjaar 1999 ook geëxposeerd in het historisch museum Het Palthe Huis. Boven de fundamenten van het klooster had onder andere de Radboudschool gestaan. Die werd afgebroken om met de overige bebouwing in het gebied tussen Kloosterstraat, Nagelstraat en Boterstraat plaats te maken voor een groot, nieuw overdekt winkelcentrum, de Driehoek. Het is in 1999 geopend. In zijn keldergarage zijn de laatste stukjes van het klooster als een monumentje zichtbaar gebleven. Het zijn echter niet alleen opgravingen geweest, waardoor de stadsgeschiedenis de aandacht genoot. In 1998 promoveerde de kunsthistoricus Herman Lenferink op een proefschrift over de St. Plechelmuskerk. Dat leverde voor kenners nieuwe inzichten op over de bouw van de imposante basiliek en attendeerde ook algemeen geïnteresseerde Oldenzalers weer eens op het interessante verleden van hun stad. Hetzelfde effect heeft de discussie over Oldenzaals betekenis in de tijd van de Hanze gehad, waarover ook in 1998 een studiewerk verscheen met tal van wetenswaardigheden die van betekenis zijn voor het verkrijgen van meer inzicht in de stadsgeschiedenis vol branden en plunderingen. Het werd geschreven door de germanist Gerard Seyger. De titel: "Aldenselen in Twinta".
Hanzestad in Twente
De belangstelling voor de Hanze ontstond overigens omdat Oldenzaal in 1980 tot zijn verrassing door Zwolle was uitgenodigd deel te nemen aan een quasi-historische ‘Hanzedagvaart’. Die organiseerde de Overijsselse hoofdstad als onderdeel van een stadsjubileum. Zwolle had 750 jaar eerder zijn stadsrechten verworven. Men had op een internationale lijst van Hanzesteden ook Oldenzaal aangetroffen. Oldenzaal heeft, zo blijkt uit de opgedoken documenten, in de veertiende eeuw
handelscontacten onderhouden met Lubeck in Noordoost-Duitsland, toentertijd de leidende stad in het grote Hanzeverbond. Er is correspondentie gevonden uit de jaren 1351 en 1368, onder meer over de nalatenschap van een Oldenzaalse koopman die in Noorse Hanzestad Bergen was overleden. In 1474 is Oldenzaal betrokken geweest bij een vredesverdrag van de Hanze met Engeland. De stadszegel prijkt namelijk aan het verdrag. Dat Oldenzaals positie in de Hanze lange tijd zo onduidelijk is geweest, kwam onder meer door een grote stadsbrand in 1492, de zogenaamde "Helmichsbrand", en door de belegeringen en plunderingen tijdens de Gelderse oorlogen in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De Hanze-organisatie was destijds onderverdeeld in "Drittels" of "Quartiere",regionale organisaties. Overijssel was deel van het Keulse Drittel. Deventer was de "principaal"-stad voor onze regio. Uit 1554 is er een lijst met een reeks kleinere en grotere Hanzesteden waar Oldenzaal ook tussen staat. Er zijn Hanze-akten bewaard gebleven die de principaalsteden hun "bijsteden" toezonden ter bespreking "binnen haar muren" of die tot betaling uitnodigden. Zwolle heeft een stadsrekening uit 1549 waarmee in Overijssel Hanzebelasting wordt geind. "Oldenzaal dient 30 gul-dens te betalen, Enschede 16 guldens, Ootmarsum 12 guldens". Ook een onderzoek door de stadsarchivaris van Zwolle, drs. PC. Berkenvelder, heeft beter licht doen schijnen over de positie van Oldenzaal als Hanze-stad. Haar rol zal wel niet van het grootste belang geweest zijn, omdat ze immers niet aan water lag. Er is echter in de latere Hanze-geschiedenis een periode geweest waarin vanwege de concurrentie en de toenemende vijandschap op zee, de moeilijk begaanbare landwegen toch belangrijk waren en Oldenzaal een goed gelegen stad tussen de IJsselsteden en het Nedersaksische achterland moet zijn geweest. Hoe dan ook, het gemeentebestuur is in 1980 ingegaan op de Zwolse uitnodiging. Het is actief mee gaan doen in een poging om de steden uit de oude handelsorganisatie weer iets voor elkaar te laten betekenen. En in 1999 organiseerde Oldenzaal zelfs de negentiende Internationale Hanzedagen uit de ‘nieuwe tijd’. Uit 125 Europese steden kwamen de afgevaardigden naar de stad. Er werd geconfereerd, op podia in het centrum traden tientallen culturele groepen op, er was een grote, bonte Hanzemarkt. Nooit eerder had de stad de organisatie van een zo groot en kostbaar evenement op zich genomen.
Eeuwen van armoede
De eeuwenlange armoede valt af te lezen aan de bevolkingsgroei van het stadje. In 1626 telde Oldenzaal slechts 1500 zielen. In 1816 waren bet er 2195, maar met slechts voor 503 man werk. In 1832 besloot de Algemene Armenstaat tot oprichting van een zogenaamde stadsarmenfabriek. Deze fabriek ging jute zakken maken voor de koffiehandel van de Nederlandsche Handel Maatschappij. De onderneming groeide uit tot 400 arbeiders. De bedelarij was daarmee vrijwel verdwenen. Helaas was de onderneming niet in staat te voldoen aan de kwaliteitseisen die de NHM stelde. Het bedrijf werd uiteindelijk overgenomen door de Engelsman Thomas Ainsworth, de grote stuwer van de
modernisering van de Twentse textielnijverheid. Toentertijd waren er inmiddels meerdere kleinere textielbedrijfjes in Oldenzaal. Ondermeer een van de energieke J. Ph. Gelderman, afkomstig uit Duitsland. Hij had zijn zaak in 1817 van Gildehaus naar Oldenzaal overgebracht. Gelderman startte met een handweverij. Hij werd met plaatsgenoot Stork, die zich naderhand in Hengelo vestigde, de grondlegger van de Oldenzaalse textielindustrie. Die is lange tijd in Oldenzaal de belangrijkste verschaffer van werkgelegenheid geweest. H.P. Gelderman en Zonen NV Molkenboer, Zwartz, Kan en Wellink, om maar enkele namen te noemen.De opkomst van de textielindustrie had tot gevolg dat de consequenties van de industrialisering zichtbaar werden. De invoering van de stoommachine deed de stadspoorten van Oldenzaal verdwijnen (ze stonden in de weg). In 1865 kwam de spoorwegverbinding Almelo Oldenzaal Salzbergen tot stand, vooral om steenkool uit Duitsland te kunnen aanvoeren. Dit was bet einde van de postkoets en de postiljon, met al zijn romantiek. Het was echter tegelijkertijd bet begin van een bijzondere positie: Oldenzaal werd, met zijn belangrijke station, een grensplaats van betekenis. Douane en marechaussee zouden er sterk vertegenwoordigd zijn.
In 1870 telde de stad 3.000 inwoners, tegen de vorige eeuwwisseling 5.500. In 1931 waren het er 10.000 en thans heeft Oldenzaal meer dan 30.000 inwoners. Het agrarische karakter van de stad met de stadsboerderijtjes verdween rond de vorige eeuwwisseling. Alles werd stadser en efficiënter. De depressie van de twintiger jaren echter drukte Oldenzaal met de neus op bet feit dat het economische leven er aan een katoenen draadje hing. Pat zou tot in de jaren zestig zo blijven. De Tweede Wereldoorlog liet gelukkig weinig sporen na in het stadsbeeld. Afgezien van bet duidelijke stratenpatroon, de trotse Plechelmuskerk en enkele karakteristieke gebouwen, had de stad echter weinig om mee te pronken. Er is dan ook heel gemakkelijk afgebroken toen in de jaren zestig een nieuwe fase in de geschiedenis begon: de bouw van bet Oldenzaal
zonder textiel en uiteindelijk ook mm of meer zonder (staats)grens. In 1961 werd de "Stichting tot bevordering van de ontwikkeling, in bet bijzonder de industriële, van de gemeente Oldenzaal", opgericht. De stad opende haar poorten voor nieuwe bedrijven. Het succes kwam al snel. Een groep gevarieerde, jonge bedrijven heeft de kans gegrepen zicb bier te ontwikkelen. De kwetsbaarheid uit de tijd van de monocultuur (textiel) verdween. In 1964 kwam bet industrieterrein de Eekte gereed. Even heeft bet er in de naoorlogse jaren naar uitgezien dat de stad bet centrum zou kunnen worden van de opbloeiende olie- en gaswinning. Hier namelijk werd in 1947 de Nederlandse Aardolie Maatschappij opgericht. Aan de korte droom van een nieuw leven als NAM metropool herinnert echter nog slechts een aantal royale woningen van die ‘oliemensen’ die kort maar heerlijk van Oldenzaal hebben genoten en daarna naar Assen dienden te verhuizen. Dat lag dichter bij de bodemrijkdom aan die en later uiteraard voornamelijk gas dan Oldenzaal, waar men ten onrechte ook grote olievoorraden had vermoed.
Vernieuwen en uitbreiden
Voor bet nieuwe hoofdstuk in de stadshistorie is een gebiedsuitbreiding in 1955 onontbeerlijk geweest. Noord- en Zuid Berghuizen, buurtschappen van de gemeente Losser, maar in de praktijk al lang bij de stad behorend; werden Oldenzaals. Het grondgebied groeide van 300 tot 1500 hectares. Oldenzaal was ineens vijfmaal groter dan bet voorheen was geweest. Er konden nieuwe woongebieden worden gebouwd, nieuwe industrieën worden aangetrokken, nieuwe voorzieningen worden verwezenlijkt. Toen de structurele problemen in de textielsector zich in de jaren na 1958 duidelijk gingen aftekenen, was in de gemeente besloten tot een actief wervingsbeleid. De resultaten zijn op de huidige industrieterreinen te zien: veel moderne bedrijven uit uiteenlopende sectoren, die opvallen door de grote zorg die aan de uiterlijke vormgeving is
besteed en een flunk stuk van de werkgelegenheid voor hun rekening nemen, zowel in Oldenzaal als in de regio. Vanaf 1955, bet jaar waarin de stad dus, na tientallen jaren touwtrekken met buurgemeente Losser, Berghuizen verwierf, is meer tot stand gebracht dan in de vorige drie eeuwen bij elkaar. Daar kwam bij dat de toenemende complexiteit op bet terrein van bet ruimtelijk ordeningsbeleid een planmatige aanpak ging eisen die tot dan toe had ontbroken. De bouwdrift had overigens ook bedenkelijke kanten. Ze ging namelijk gepaard met een grote sloopwoede in de kwetsbare, armelijke binnenstad. Terecht of onterecht, de binnenstad ging lijken op een lang verwaarloosd gebit. Sinds begin jaren zeventig hebben daarna de renovatie en ook de rehabilitatie van bet stadscentrum grote aandacht gekregen. Binnen de financiële mogelijkheden werd de erfenis van bet verleden in harmonie gebracht met eigentijdse veranderingen. De bouw van nieuwe woonwijken liet een verheugende bewustwording zien omtrent de kwaliteit van bet wonen, al vertoont de Thij nog sterk de symptomen van die bouwdrift uit de eerste periode van stadsuitbreiding. In de Thij II zijn daarna waardevolle bomen en boutwallen grotendeels gespaard. In de Essen en in de Graven Es, de buitenwijk die als laatste is aangelegd, is niet alleen de waardevolle begroeiing in kaart gebracht, om die vervolgens zoveel mogelijk te sparen, maar is hetzelfde gebeurd met de al aanwezige boerderij en. En in de binnenstad wordt rond de eeuwwisseling nog volop gepuzzeld over bet goed inpassen van bet winkelcentrum Inden Vijfhoek en sinds ‘99 ook de ernaast gelegen De Driehoek, over de bouw van een aantrekkelijke huizenrij langs de Ganzenmarkt waar aan de overkant het toch al royale stadhuis eveneens in ‘99 een flinke vergroting heeft ondergaan. Aan plannen mankeert het niet, aan ambities evenmin. Wie weet, krijgt de stad in die nieuwe bebouwing langs de Ganzenmarkt wel een heus cultureel centrum.
Een levendige stad
Was de stad in het verleden een belangrijk grens- en overslagstation voor de spoorwegen geweest, toen de grote nieuwe verkeersweg A1 werd aangelegd ontstonden er kansen in het wegvervoer. De stad had vroeger haar transportbedrijven bij het station. Nu kwam er een bedrijvencentrum langs de A1: de Hanzepoort. Het is speciaal bestemd voor bedrijven die actief zijn op het gebied van op- en overslag, vervoer en distributie van goederen en serviceverlening aan vervoerders, verladers, vrachtwagens en chauffeurs. De Hanzepoort is een versteviging gebleken van de hele transport- en distributiesector in Twente. Het goederencentrum heeft een belangrijke logistieke functie gekregen. Er is een zakelijke dienstverleende bedrijvigheid gevestigd. Douaneactiviteiten worden nu ook daar ontplooid; niet alleen voor de landsgrens overigens maar evengoed naar de even verderop gelegen Luchthaven Twente. De Hanzepoort ligt dicht bij bet moderne industriegebied, dat eerst De Eekte besloeg maar later werd uitgebreid naar Het Hazewinkel, waar het nog altijd groeimogelijkheden heeft. Ten zuiden
van de spoorlijn ligt een al ouder bedrijfsterrein van meer dan honderd hectare. Bovendien is er een viertal kleinere bedrijfsterreinen dat vanuit het verleden verspreid over de stad ligt. De grote Oldenzaalse bedrijvigheid concentreert zich echter rond de zuidelijke ingang van de stad, waar bijvoorbeeld ook de bedrijven naar toe getrokken zijn die Oldenzaal als "meubelstad" zijn gaan promoten. De "meubelstad" zou een onderdeel van Oldenzaal-winkelstad kunnen worden genoemd. In toenemende mate heeft de stad namelijk die betekenis gekregen in Noordoost-Twente en het aangrenzende Duitse gebied. In 1999 is bet nieuwe royale winkelcentrum de Driehoek geopend met feestelijkheden waarvoor zelfs meer bezoekers naar de stad kwamen dan voor de jaarlijkse grote carnavalsoptocht. Bij de eeuwwisseling was de afwerking van de Driehoek nog volop gaande en werden voorbereidingen getroffen om het oudere, ernaast gelegen In den Vijfhoek een grote opknapbeurt te geven, zodat dit als een knusser winkelgebied zijn eigen aantrekkelijkheid zou behouden. Oldenzaal is op een moderne manier zijn aantrekkelijkheid gaan ‘promoten’. Bij het winkelen behoort de gezelligheid die de stad graag uitstraalt. Op borden langs de invalswegen noemt ze zich niet alleen een Hanzestad, maar ook (en veel langer al) "De Glimlach van Twente". Het ietwat Bourgondische karakter van de bevolking komt vooral tot uiting in bet carnaval, dat nergens boven de grote rivieren zo uitbundig, maar vooral ook zo goed georganiseerd, wordt beleefd als bier. Zeven carnavalsverenigingen accepteren daarbij de centrale rol van de oudste, meer dan veertig jaargangen tellende Kadolstermennekes (Winterkoninkjes). Het past in een goed ontwikkeld sociaal en cultureel leven. Naast vele hobby-verenigingen zijn er diverse grote sportclubs, zoals Quick 20, VV Oldenzaal, FC Berghuizen ZVV De Esch , en hockeyclub Bully. Ook toneel en muziek zijn goed vertegenwoordigd, niet alleen in de koren die de stad met haar rijke roomse verleden altijd heeft gehad. Operettevereniging Het Masker en de Oldenzaalse Operettevereniging hebben naam. Muziek wordt intensief beoefend in twee grote harmonien, Semper Crescendo en St. Joseph, en in diverse vele kleine muziekgezelschappen van bet lichtere genre, b.v. bet Stroatensemble. In 1999 is bet gezamenlijk optreden van de culturele verenigingen in een groot Klank- en Lichtspel over de geschiedenis van de stad een hoogtepunt geweest in de jubileumviering. Een muziek- en acteerspektakel van eigen bodem was bet, gespeeld door 300 Oldenzalers.
Een goede woonplaats
Uit zijn karakteristieke verleden heeft Oldenzaal waardevol bezit weten te behouden op twee terreinen: die van bet onderwijs en die van de verzorging van zieken en bejaarden. Het Twents Carmellyceum, flu een grote scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, was ooit bet eerste gymnasium van heel Noordoost Nederland. Nu is er bovendien bet Thy-college en bet grote Marcellinuscollege voor beroepsonderwijs. (alle scholen zijn nu vereenigd in het Twents Carmelcollege) De oudste instelling voor armen en zieken in Oldenzaal was bet Heilige Geestgasthuis, waarvan een "giftbrief" stamt uit 1351. De verzorging van zieken kreeg echter structuur toen eeuwen later, namelijk in 1848, de Zusters Franciscanessen van Heythuysen hun klooster, bet St. Antoniusklooster, aan de Gasthuisstraat hadden betrokken. Aanvankelijk hebben zij zich weliswaar beziggehouden met bet geven van onderwijs, maar in i868 is op hen een beroep gedaan om te helpen bij een tyfusepidemie in Hengelo.
In Oldenzaal waren toen inmiddels ook initiatieven ontplooid om te komen tot een ziekenhuis. In 1874 werd aan de Zuidwal achter bet klooster een begin gemaakt met de bouw ervan, waar overigens twintig jaar over zou worden gedaan. De naam van bet ziekenhuisje werd "Hell der Kranken". Vanaf 1907 begonnen de zusters zich ook met de ziekenverzorging aan huis bezig te houden. Tegen 1916 werd duidelijk dat de accommodatie aan de Zuidwal veel te klein was en in 1918 werd (weer als "Heil der Kranken") bet nieuwe ziekenhuis in gebruik genomen dat inmiddels een onderdeel is geworden van bet Medisch Spectrum Twente. Het ziekenhuis is een bijzonder bezit van de stad geweest. Het bood tevens woonruimte voor de zusters. Er was een kapel aan verbonden. Het was, met een eigen boerderij, lange tijd praktisch "selfsupporting", verbouwde zijn eigen boeskool, het product dat in Oldenzaal zo royaal uit de grond is gekomen dat bet zelfs op markten in de omliggende plaatsen te koop werd aangeboden en de Oldenzalers hun bijnaam "boeskolen" bezorgde. Die bijnaam heeft in de jaren zestig, toen het huidige stadhuis werd opgeleverd, een extra accent gekregen door de creatie van bet "Boeskoolmenneke", bet kereltje dat met zijn buitenmodel kool zelfs mm of meer een symbool van de vrolijke gemeenschap is geworden. Het ziekenhuis is lange tijd in handen geweest van de zorgzame nonnen. Het stond bovendien onder kerkelijke leiding. In kerkelijke kring zijn ook de initiatieven genomen voor uitbreiding van de hulpverlening. In 1950 werd besloten tot de bouw van huisjes voor bejaarden op bet ziekenhuisterrein. Dit was bet begin van de Mariahof, een thuis voor bejaarden. Het hood in 1958 al aan 42 personen onderdak. In december 1960 hebben de zusters Franciscanessen van Heythuysen afscheid genomen. Hun plaats is ingenomen door de zusters Franciscanessen van Denekamp. Na de fusie met de ziekenhuizen in Enschede en Losser in bet Medisch Spectrum Twente was bet tijd voor de Franciscanessen om definitief afscheid te nemen. Bijna 150 Jaar hadden zij in Oldenzaal gewerkt en gewoond. In bet laatste jaar van de twintigste eeuw moesten de Oldenzalers actie gaan voeren om bun ziekenhuis in elk geval gedeeltelijk te kunnen behouden in een streven naar concentratie binnen het Medisch Spectrum. Daarbij ging bet niet alleen om bet behoud van belangrijke voorzieningen, maar ook om bet voortbestaan van een stukje geschiedenis. Het Heil der Kranken was inmiddels bet centrale instituut naast een modern verzorgingshuis en naast ouderentehuizen Molenkamp, Scholtenhof en natuurlijk Mariahof.
Het moderne Oldenzaal
Dat laatste jaar voor de eeuwwisseling is er een geweest vol activiteiten. De stad verdedigt haar positie in een veranderend milieu, wat bijvoorbeeld blijkt uit zo’n actie tegen sluiting van haar voorzieningen voor zieken. Al jarenlang hang n bovendien veranderingen van gemeentelijke indelingen in de lucht, waarbij de grootste twee Twentse steden zouden moeten samensmelten tot Twentestad en dorpen tot grote plattelandsgemeenten. De stad Oldenzaal wordt daarbij met rust wordt gelaten, maar kent flu wel beter dan ooit de grenzen van haar groei. Het is een stad geworden met een aangenaam leefklimaat en een gevarieerde economische bedrijvigheid. De jubileumviering van ‘99 was een goede kans om dat uit te dragen. Ook bet in 1993 verwijderen van slagbomen en controle aan de grens is van betekenis geweest voor het nieuwe imago van de stad. Ze ligt in een van Nederlands mooiste natuurgebieden, wat heel lang nogal onbekend is geweest buiten de eigen regio. Nu kon, in een tijd van toenemende behoefte aan recreatie, de aantrekkelijkheid van Oldenzaals omgeving nog worden uitgebreid met die van bet Duitse grensland. Vooral de Internationale Hanzedagen in juni ‘99 hebben de Oldenzalers de kans gegeven de aandacht te trekken. Het gemeentebestuur is erin geslaagd die gebeurtenis te maken tot een activiteit niet alleen ter promotie van Oldenzaal, maar van heel Twente. Wat haar een fikse financiële ondersteuning van de Stichting Twente Promotie opleverde, maar ook een grote directe betrokkenheid van de Kamer van Koophandel bij hetgeen zich afspeelde in deze stad. Het jubileum zelf, waarin dus werd herdacht dat Oldenzaal 750 jaar geleden zijn stadsrechten kreeg (en 950 jaar geleden zijn marktrechten), zal vermoedelijk vooral in herinnering blijven als een verzameling festiviteiten waar meer plaatsgenoten bij betrokken zijn geweest dan bij enige andere feestelijke gebeurtenis in de op dit vlak rijke historie van de stad. Die betrokkenheid bleek zowel uit de royale financiële bijdragen van bet eigen bedrijfsleven als uit de organisatie van zoveel verschillende activiteiten door maatschappelijke en culturele groeperingen. Ze lieten Oldenzaal zien zoals bet zichzelf graag ziet, al mogen er nog zoveel vernieuwingen zijn. In de stad met haar nog altijd voor bet overgrote deel rooms-katholieke bevolking is het jubileum zowel geopend als afgesloten in de Plechelmusbasiliek, maar wel in samenspel met de historie. Voor de opening in januari was filet alleen kardinaal Simonis, de huidige bisschop van Utrecht naar Oldenzaal gekomen, nee, uit de sacristie dook in middeleeuws gewaad ook die Otto III op aan wie de stad dus vermoedelijk haar stadsrechten dankt. En bij de festiviteiten werd naast de grote rk-kerk dikwijls gebruik gemaakt van de protestants-christelijke Hofkerk die sinds een aantal jaren ook dienst doet als cultuurtempel.
|
Onderstaande informatie heb ik van de website: http://home.quicknet.nl/qn/prive/huugdeb/archeoldenzaal/
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK OP HET VOORMALIG GASTHUlSTERREIN
Oldenzaal, mei 1997
Oldenzaal is een van de Twentse steden met een belangrijk en aantrekkelijk archeologisch verleden. De stad wordt al genoemd in 700 na Christus. Oldenzaal was omstreeks het jaar 1000 zowel kerkelijk als wereldlijk de hoofdstad van Twente. Uit oude kaarten van o.a. 1605 en 1626 blijkt dat Oldenzaal, als enige stad in Twente, een prachtige ommuurde vesting is geweest. Omringd door een dubbele gracht en stadsmuur vormde Oldenzaal met zijn stervormig verdedigingswerk een machtig bolwerk in Twente. Oldenzaal, een stad die vele keren aangevallen en veroverd werd. Tijdens een van die aanvallen, de plundering door de Geldersen in 1510, is o.a. een groot deel van het Oldenzaalse stadsarchief verloren gegaan. Om de Middeleeuwse geschiedenis van Oldenzaal in kaart te brengen ben je daarom soms afhankelijk van andere "bronnen". Een van de bronnen is het Bodemarchief. Dat daarbij soms verrassende vondsten tevoorschijn kunnen komen blijkt wel uit de opgravingen op het voormalige gasthulsterrein.
Elke belangrijke Middeleeuwse stad, zoals o.a. Deventer, Zutphen, Amsterdam en dus ook Oldenzaal, bezat een gasthuis. In Amsterdam vinden we zelfs deze naam nog terug in het huidige Wilhelmina Gasthuis. Gasthuizen zijn ontstaan uit barmhartigheid voor de medemens. Want meer dan in onze dagen werd de Middeleeuwse mens herinnert aan de geboden van Christus om de werken van barmhartigheid te verrichten: hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, doden begraven, vreemdelingen herbergen, zieken troosten en gevangenen bevrijden. Wie deze werken deed bevorderde zijn eigen zieleheil. Er werd dan ook in de Middel- eeuwen bijzonder veel aandacht aan de armen gegeven. Niet omdat men armoede een misstand vond, die men bijvoorbeeld moest opheffen, maar omdat men die arme juist nodig had om barmhartigheidswerken te kunnen verrichten om zo de Hemel te beërven. De functie van onderdak voor reizigers en pelgrims kon men opmaken uit de ligging van menig gasthuis, dichtbij de stadspoort of soms zelfs buiten de muren. Wie te laat kwam en de poort gesloten vond, kon toch nog in het gasthuis terecht. Ook het Oldenzaalse gasthuis lag dicht bij de steen- poort. De oudste gegevens hierover dateren van 1351. Het was een groot en log stenen gebouw in vakwerk uitgevoerd. Het had een eigen kapel waar een vicaris drie keer in de week de mis las. Er waren naast passanten in het gasthuis ook velen die er bleven. Er was zelfs een mogelijkheid om zich in te kopen. De meeste gast- huizen werden Heilige Geest huizen genoemd omdat ze opgedragen waren aan de derde persoon van de drie-eenheid. De heilige geest is immers de werkzame kracht tot liefde, barmhartigheid en vrede. Ook het Oldenzaalse gasthuis werd Heilige Geest Gasthuis genoemd en in de volksmond ook wel het Hospitaal. Een gasthuis had naast een verblijfsruimte een kapel, eigen tuin, een koeien- en varkens stal, een eigen bakkerij en een keuken. Ook beschikte men over een eigen begraafplaats. De inkomsten bestonden voornamelijk uit legaten en goederen die vermaakt werden door vermogenden. Het gasthuis werd in 1867 afgebroken om plaats te maken voor een Herensociëteit. (Uit: 12 eeuwen Oldenzaal. A. Stappers-Vurtheim)
DE OPGRAVINGEN
Voor een opgraving ben je in principe afhankelijk van bouwaktiviteiten. Als er bouwwerkzaamheden midden in de stad plaatsvinden moet je extra alert zijn. Daar zijn immers de oudste bewoningssporen te vinden. Toen dan ook bekend werd dat er op het voormalige Gasthuisterrein, gelegen aan de steen- straat, nieuwe huizen en winkels zouden worden gebouwd werd met spanning afgewacht wat daar uit de bodem tevoorschijn zou komen. Begin april 1996 werd er een begin gemaakt met het graven van de eerste bouwput. Dit bouwplan is bekend onder de naam "Plan Siers". Het bouwterrein had een afmeting van 37.50 bij 30 meter. Het waren de metaaIdetector-amateurs Mark Heitkamp en Huub Slot uit Oldenzaal die ons opmerkzaam maakten op enkele belangrijke vondsten waaronder munten en veel scherven.

WATERPUTTEN
Gelukkig was de graafmachine niet overal tegelijk bezig zodat er toch nog wat te onderzoeken viel. Achteraf met een opmerkelijk resultaat. Want tot ieders verbazing werden in deze bouwput maar Iiefst 17 (water)putten gevonden, waaronder 9 tonputten, 7 vierkante en 1 Bentheimer-zandstenenput. Omdat met name de tonputten op verschillende dieptes waren ingegraven konden er slechts 3 vrij redelijk worden onderzocht. Van de overige tonputten is soms de onderkant of soms alleen het onderste gedeelte aangetroffen. De vierkante putten waren duidelijk dieper ingegraven. Hierin werden dan ook de meeste vondsten aangetroffen. Van de Bentheimer-zandstenenput kon alleen de bovenkant worden onderzocht. Aangezien de aannemer nogal haast had met het uitgraven van de bouwput heeft het onderzoek zich beperkt tot "het zover mogelijk leegscheppen" van de putten. Het onderzoek duurde van 2 tot 15 april 1996. Vermeld dient te worden dat wij daarbij alle medewerking van de aannemer Herman Siers hebben gekregen.
RIJK AAN VONDSTEN
Waterputten zijn meestal rijk aan vondsten omdat ze vaak, nadat ze in ongebruik waren geraakt, werden gebruikt als afvalkuil en soms zelfs als beerput. De vele scherven en andere vondsten die er dikwijls in worden aangetroffen geven niet alleen een goede dateringsmogelijkheid maar tevens kan men hieruit opmaken tot welke sociale klasse de gebruikers behoorden. Ook de gevonden waterputten op het "Plan Siers" bleken flink wat "afval" te bevatten. In bijna alle putten werden scherven gevonden; het z.g. Proto- Steengoed. Dit steengoed was de voorloper van het 'echte' steengoed en werd tussen 1225 en 1300 geïmporteerd uit Schinveld, Langerwehe en Siegburg. Het was voornamelijk drink en schenkgerei. Het steengoed was voor die tijd erg kost- baar en voornamelijk in gebruik bij de gegoede burgerij. De 'gewone' burger gebruikte in die tijd het z.g. blauw-grijs aardewerk. Dit aardewerk, waarvan we in een van de putten een prachtig kogel- potje hebben gevonden, werd meestal in de directe omgeving gefabriceerd.
SCHOEISEL
Dankzij de conserverende werking van de waterputten zijn er ook veel leerrestanten van schoenen gevonden. Het onderzoek naar de Oldenzaalse schoenen is verricht door de hr. Goubitz van de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort. Het onderzoek bevestigd het beeld van m.b.t. de ouderdom van dit waterputtencomplex. De gevonden schoentypen dateren namelijk uit de 13e en 14e eeuw. Laat-Middeleeuwse schoenen laten zich goed indelen in typen. Dit komt doordat de schoenen uit die periode in heel West- Europapraktisch gelijk zijn. De schoenen werden binnenstebuiten op een leest genaaid en daarna gekeerd. Dit is mogelijk omdat de schoenen maar een zoollaag hebben, die slechts dikker is dan het bovenleer. De modellen lopen uiteen van laaguitgesneden tot kuithoog. Het type- onderscheid gebeurt aan de hand van de verschillen in de sluitingswijze. Van de twintig schoentypen die tot 1800 te onderscheiden zijn werden er vijf gevonden.
OUDSTE KLOMP UIT TWENTE
De meest bijzondere vondst qua schoeisel kwam uit een Tonput. Hierin werd namelijk een klomp gevonden. Deze klomp is eveneens onderzocht door de hr. Goubitz. De klomp is gemaakt van Elzenhout. Dit verbaasde de onderzoeker want Elzenhout is niet de meest geschikte houtsoort om er klompen van te maken. Deze klomp is de tweede Middeleeuwse klomp die in Overijssel wordt gevonden. De eerste komt uit de gracht van Kasteel Voorst bij Zwolle. Hieraan kon zelfs een exacte datering worden gegeven n.l. 1362, dit omdat toen dat terrein definitief verlaten werd. Of "onze" klomp ouder is weten we niet. Het is in ieder geval wel de oudste klomp uit Twente.
OVERIGE VONDSTEN
Er werd een keur aan andere voorwerpen in de waterputten aangetroffen zoals een zeldzame benen wolkam, een glans- steen (voorloper van de strijkbout), veel scherven van zowel proto-steengoed, gewone steengoed en Blauw-grijs aarde- werk. In een 16e eeuwse put werd een bijna complete pispot gevonden. Ook houten voorwerpen kwamen tevoorschijn waaronder duigenbakjes, een houten spade en een houten lepel. Tot de zeldzame metaalvondsten behoort een fragment van een Middeleeuws hoefijzer en een puthaak voorzien van een Middeleeuwse sleutel waarmee deze afgesloten kon worden. Metaaldetector amateurs vonden over het hele terrein verspreid diverse munten, mantelspelden, een kanonskogel, musket- en geweerkogels, gespen en andere metalen voorwerpen.
RONDE EN VIERKANTE WATERPUTTEN
Dat men destijds ook al aan recycling (hergebruik) deed blijkt uit het feit dat de tonputten vervaardigd waren van afgedankte wijnvaten. Wijn was in de Middeleeuwen een luxe drank die geïmporteerd werd uit landen zoals Duits- land, Spanje en Frankrijk. Het kapittel van Oldenzaal gebruikte waarschijnlijk veel wijn m.n. voor de geloofsbeleidenis. Ook in de kapel van het Heilige Geest Gasthuis zal om diezelfde reden wijn zijn gebruikt waarmee de aanwezigheid van deze wijnvaten in Oldenzaal te verklaren zou zijn. Opvallend aan de vierkante waterputten was dat deze allemaal een identieke bouwwijze hadden. Ze waren opgebouwd in een vierkant raamwerk van palen en planken. Dit raamwerk was om de drie a vier planken voorzien van een schoor, die ingeklemd zat tussen de verticale palen en daarmee verhinderde dat de put ingedrukt kon worden. Spijkers of andere bevestigingsmateriaal hebben wij bij deze putten niet aangetroffen. De grootse put had een diameter van 150 x 125 cm. De kleinste 100 x 110 cm. Gezien de constructie gaan we ervan uit dat alle vierkante waterputten voorzien waren van een z.g. "hefboom". De gevonden puthaak met slot bevestigd deze theorie. Een van de vierkante waterputten is er met een graafmachine uitgehaald en overgebracht naar het Palthe-huis waar deze weer opgebouwd wordt.
GASTHUlS BUITEN DE GRACHT?
Het is op zich vreemd dat er op zo'n klein oppervlak zoveel waterputten gevonden worden. Vooralsnog gaan we ervan uit dat alle putten deel uit maken van het gasthuiscomplex. Het is vooral het luxe import aardewerk dat duidt op een hoge welstandsklasse, een klasse die hoort bij zo'n gasthuis. Gezien de geschiedenis van de gasthuizen zou het heel goed mogelijk kunnen zijn dat ook dit complex destijds vlak buiten de toenmalige stadsmuur heeft gelegen.
DE KAPEL VAN HET HEILIGE GEEST GASTHUlS
Twee weken na de eerste opgraving werd op hetzelfde terrein op de hoek van de Steenstraat-Gasthuisstraat opnieuw een huis afgebroken. Dit pand staat bekend als het pand Padberg. Omdat exact op deze plaats op de oude kaarten van 1605 en 1626 de kapel van het gasthuis getekend staat hebben wij de Gemeente Oldenzaal verzocht medewerking te verlenen voor een kleine opgraving. Deze medewerking werd toegezegd en zo kon van 7 t/m 1 8 mei 1996 een archeologisch onderzoek worden verricht naar deze verdwenen kapel.
EEN KOMPLETE FUNDERING
Nadat het gebouw afgebroken en de vloer verwijderd was ontdekten we een flinke rij kloostermoppen. Kloostermoppen zijn grote bakstenen waarmee in de middeleeuwen o.a. kloosters werden gebouwd. Na een week graven werd tot ieders verrassing de complete fundering zichtbaar van de gasthuiskapel. De kapel had een afmeting van 18,30 bij 8,20 m en was oost-west gericht. In het oostelijk gedeelte, het absis-gedeelte had de kapel een ronde muur. De funderingen van de buitenmuren waren aan de bovenkant 75 cm breed. De muren waren "taps" opgemetseld. De breedte van de onderkant (westmuur) bedroeg 120 cm. Opvallend is dat er tussen de eerste vijf steenlagen geen metselkalk was gebruikt. Deze waren dus "koud" op elkaar gestapeld. De buitenmuren waren opgebouwd met kloostermoppen, afmeting van 28 x 14 x 7 cm. In het N-O gedeelte had men bij de bouw van de fundering over een lengte van 5,5 meter mede gebruik gemaakt van Bentheimer zandstenen- brokken. Alleen in het midden van het oostelijke gedeelte (absis gedeelte) ontbrak door de verstoring van een recente kelder een deel van de buitenmuur (ca. 4 meter). De oudste vermelding van het Gasthuis dateert uit 1351.
TWEEDE FUNDERING
In hetzelfde vlak bevond zich een tweede fundering. Deze fundering behoorde toe aan de Herensociëteit, gebouwd in 1870. Door de kennelijk onstabiele ondergrond was deze fundering opgebouwd met bogen ( z.g. boogfundering ). Op veel plaatsen had men bij de bouw van deze fundering handig gebruik weten te maken van de kapelfundering. Deze was hierdoor echter niet noemenswaardig beschadigd of verstoord. Deze tweede fundering had een buiten afmeting van 20 bij 10.50 meter. Op 22 april van dat jaar "oorkonden de schepenen van Aldenzale dat Herman de Hebet geschonken heeft aan den Heiligen Geest twee kampen" (bouwland) "op den Nijenvelde". Omdat een kapel gewoonlijk tot een gasthuis behoort, gaan we ervan uit dat deze toen ook al deel uitmaakte van het Gasthuiscomplex. Uit historische bron weten we dat de kapel na een roerige tijd, waarin deze voor verschillende godsdiensten in gebruikt is geweest, afgebroken werd in 1867.
VLUCHTGANGEN
De gevonden bogen van de "boogfundering", vooral in het westelijke gedeelte, deden sterk denken aan gangen of keIdergewelven. Waarschijnlijk komt hier van het hardnekkige gerucht dat zich in de Oldenzaalse binnenstad "vluchtgangen" bevinden. Vele Oldenzalers menen deze vluchtgangen in het verleden te hebben gezien maar nog nooit zijn er foto's of tekeningen van gemaakt. Wellicht heeft men echter alleen boogfunderingen gezien en aldus de conclusie getrokken. Uit gesprekken met vooral oudere passanten is gebleken dat meedere huizen in de binnenstad van Oldenzaal op boogfunderingen zijn gebouwd.
ROMEINSE MUNT
Ook werden er daar met de metaaldetector nog enkele munten uit de 1ste eeuw gevonden en tot ieders verrassing een munt van de Romeinse Keizer Vespasianus. Het betreft hier een Dupondius, geslagen in 77 na Christus (det. Daan Kempers). Tevens werden er met de metaaldetector twee pijlpunten gevonden. Het betreft hier een kruisboog-pijlpunt en een handboog-pijlpunt. Datering vermoedelijk 2e helft 14e eeuw.
VONDSTEN
In tegenstelling tot de gevonden waterputten op "Plan Siers" was het terrein van de kapel vondstarm. Gezien de primaire funktie van een kapel is dit op zich natuurlijk niet vreemd. In het absis-gedeelte, waar bijvoorbeeld een begraving verwacht kán worden, werden inderdaad enkele botfragmenten gevonden die door de hr. Fuldauer (Paleo Patholoog) herkend werden als menselijke botten. Eveneens kwam uit het absis-gedeelte een aardewerk-spinklosje en een prachtige bronzen hanger tevoorschijn. Deze hanger is versierd met vermoedelijk een Franse lelie. Om de historische waarde van de gevonden kapel te onderstrepen heeft de Gemeente Oldenzaal medewerking verleend om een deel van de gevonden fundering te behouden en te integreren in de nieuwbouw. Door middel van een glasplaat in de winkel kan men nog een deel van de kapel-fundering zien. Oldenzaal is hierdoor een "zichtbare" Historische plek rijker geworden. De opgravingen zijn mogelijk gemaakt door de geweldige inzet van vele vrijwilligers o.a. uit Oldenzaal, amateur archeologen van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland afd. Twente, Stadsarchivaris Jos Oude Essink Nijhuis, de Gemeente Oldenzaal, Herman Siers, Sloper Morssink uit Neede en de Winterswijkse Bouwcombinatie. Hartelijk dank daarvoor.
Overgenomen uit "uit de bodem van de stad Oldenzaal",
Een uitgave van: Het Palthehuis - Oldenzaal en A.W.N. afd. Twente.
Tekst:: Evert Ulrich
Agnesklooster Oldenzaal - Het boek
De geschiedenis van het Agnesklooster
De geschreven geschiedenis van dit vrouwenklooster begint in 1380 als 2 zusters van Awijc (het huidige Singraven bij Denekamp) hier de sluier aannemen. Ze schenken daarbij het hele landgoed Singraven, met de omliggende erven en landerijen en de thans nog bestaande watermolen aan het Convent. liet klooster was toen namelijk een begijnenhuis. De begijnen vormden een vereniging van weduwen en ongehuwde vrouwen, die onder leiding van een 'moeder' werkten aan vrome en liefdadige doeleinden. Ze hadden veel bezittingen en waren niet aan strenge kloosterregels gebonden. Begin 1400 werd het begijnenhuis een klooster. liet klooster werd gewijd aan de heilige St. Agnes en het behoorde tot de 3e orde van St. Franciscus. De nonnen die hier verbleven noemden zich Tertiarissen. In 1465 werd van het klooster gezegd dat het in een bloeiende toestand verkeerde. liet klooster werd bewoond door 60 nonnen. Ze kregen de vrijheid om twee torenklokken te hebben, de vernieuwde en vergrote kloosterkerk te doen inwijden, een kerkhof aan te leggen en een rector aan te stellen om de heilige sacramenten toe te dienen en de heilige diensten te verrichten. Tijdens de hevige helmichbrand in 1492 werd ook het klooster verwoest. Volgens sommigen verbrandde alleen de kapel, maar werd het zusterhuis gespaard. In 1505 hadden de nonnen het voornemen om het klooster naar het Singraven bij Denekamp te verplaatsen. liet plan werd echter door onbekende redenen niet tot uitvoering gebracht. De zusters bleven in Oldenzaal en verkochten het gehele buitengoed Singraven aan de Graaf Everwijn van Bentheim. De opbrengst werd waarschijnlijk gebruikt om het klooster weer te herstellen en op te bouwen. De hervorming maar zeker ook de 80-jarigeoorlog waren er de oorzaak van dat begin 1600 de tucht verslapte. En wel op een zodanige wijze dat de toenmalige vicaris en de proost van Oldenzaal, Sasbout Vosmeer, moest ingrijpen. Krachtens een brief van 17 juni 1606 verbood hij alle geestelijken om de zusters de biecht te horen ok ze de heilige sacramenten toe te dienen voor ze onder de gehoorzaamheid van Moeder Overste waren teruggekeerd. Toen dat niet hielp, beval hij op 17 mei 1612 de overgebleven nonnen het klooster te verlaten, op straffe van uitsluiting. Wie wilde blijven, moest een nieuw noviciaat doormaken. Er ontstond een verwoede strijd tussen de nieuwe en oude zusters om het bezit van het klooster. De beslissing viel tenslotte ten gunste van de nieuwelingen, die in 1629 de regel van de Minderbroeders -Observanten- aannamen. Sedert dat tijdstip heetten de zusters Clarissen, met aan het hoofd een Abdis. Mogelijk heeft deze verandering ertoe geleid dat het aantal zusters snel afnam. In 1637 verbleven er nog maar 27 nonnen binnen de muren van het klooster. De toestand verergerde snel. In 1643 werd zelfs aan de staten van Overijssel een geldlening gevraagd van 800 gulden om het zeer bouwvallige klooster in stand te houden. Eind 1650 komt er een eind aan het bestaan van de klooster gemeenschap. Onder protest van de Oldenzaalse stadsregering, die gehoopt had zich van de kloosterbezittingen meester te kunnen maken, werd het klooster met al zijn goederen en bezittingen door de Ridderschap van Overijssel voor 25.000 Carlus Guldens van de zusters gekocht. De overgebleven zusters vertrokken in 1651 naar Duitsland naar de kloosters van Hasselune en Vreden. De gebouwen kregen protestantse bewoners en ook werden er tijdelijk twee duitse scholen ondergebracht. Begin 1800 werden de overgebleven kloostergebouwen verkocht aan de Oldenzaler Theodor Bernhard Kock. In 1832 werd er een weverij ingericht, die 3jaar later uitgroeide tot een textielfabriek. Het complex werd in 1870 afgebroken. Een klok die nu nog in het Palthehuis staat is het enige object dat herinnert aan het rijke verleden van dit klooster. Het opschrif van de klok, die nog een tijd in de vroegere Bischoppoort heeft gehangen luidt: 'Agnes ora pro nobis ad dominum' oftewel Heilige Agnes bidt voor ons tot de Heer. uit: 12 eeuwen Oldenzaal A. Stappers VÜrtheim.
De opgraving ( voorlopig verslag ).
In de driehoek Nagelstraat-Koosterstraat-Boterstraat is het toekomstige winkel-wooncentrum de Driehoek gepland. Voorafgaande aan de bouw hiervan hebben vrijwilligers van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN) afd. Twente van de gemeente Oldenzaal en de Woningbouwvereniging Oldenzaal toestemming gekregen om op deze plek een archeologisch onderzoek te doen naar het verdwenen Agnesklooster. De gemeente heeft voor graafwerkzaamheden een subsidiebedrag beschikbaar gesteld. Samen met een flink aantal vrijwilligers zijn we eind augustus 1996 begonnen met het onderzoek. Na veel zoeken vonden we begin september de eerste funderingsresten. Nu 3 weken later kunnen wij al de eerste resultaten bekend maken: er zijn funderingen gevonden van twee gebouwen. Beide gebouwen staan afgebeeld op de Oldenzaalse stadskaart van 1626. De westelijk gelegen fundering is opgebouwd met grote kloostermoppen. In het midden hiervan bevindt zich een toegangsdeur en vermoedelijk een trappenhuis. Langs de oostkant van dit gebouw ligt een kerkhof. Hiervan zijn twee graven blootgelegd. In beide graven troffen wij jonge vrouwen aan waarvan de skeletten nog volledig in takt waren. Het oostelijk gelegen gebouw is gezien de zware fundering van Bentheimer zandstenenbrokken vermoedelijk de kerk geweest. Door de gevonden scherven en de grootte van de kloostermoppen zijn beide gebouwen voorlopig te dateren rond 1300-1400. De mogelijkheid bestaat zelfs dat een van deze twee funderingen toebehoort heeft aan het Begijnenhuis, de voorloper van het klooster. Daarnaast hebben wij een aantal keienstraatjes en een waterput gevonden. De tot nu toe gevonden muurresten en vondsten zijn uniek voor Twente. Want nergens in Twente zijn er zoveel sporen van een middeleeuws klooster terug gevonden als hier in Oldenzaal. Dankzij deze opgravingen krijgen wij een goed beeld van het kloosterleven. Een beeld dat wij kunnen vergelijken met wat historische bronnen hierover vermelden. Het geeft ons inzicht in het dagelijks leven van de nonnen en de bouwwijze van hun kloosters en kerken. En dankzij het gevonden kerkhof kunnen wij onderzoeken hoeveel mensen hier begraven liggen, op wat voor leeftijd ze gestorven zijn en wat bijvoorbeeld de doodsoorzaak was. Hoewel we nog maar 1/3 gedeelte van het complex hebben blootgelegd kunnen we nu al spreken van een zeer opmerkelijk en verrassend resultaat. Uit: "het Agnes klooster", een uitgave van de A.W.N. Twente.


Een bijzondere glasvondst
Tijdens de opgraving is een zeer grote hoeveelheid glas-in-lood glas gevonden. Namelijk 2m3, alles bij elkaar en ontdaan van lood. Het uitzoeken van dit glas vraagt nu nog steeds zeer veel tijd van enkele AWN leden. Getracht wordt een beeld te scheppen van de volledige ramen, om zo te kunnen achterhalen waarvan de ramen zijn en hoe ze op de vindplek geëindigd zijn.
Oldenzaal rond het jaar 700 al bewoond!
De opgraving van het Agnes klooster heeft meer opgeleverd dan het klooster alleen. Op hetzelfde terrein werden scherven van Badorf aardewerk en Pingsdorf aardewerk. Beide typen aardewerk zijn nauwkeurig te dateren. Badorf aardewerk rond het jaar 700 en Pingsdorf rond het jaar 900-1000. De waterput waarin de Pingsdorf scherven zijn gevonden heeft waarschijnlijk toebehoord aan Erve Bellenickhof, die voor het Agnesklooster op dit terrein stond.
Het verdere verloop (sep 1997)
Inmiddels heeft de A.W.N. het kloosterterrein grotendeels blootgelegd en in kaart gebracht. Hierbij is duidelijk geworden dat de gebouwen in een carré vorm geplaatst zijn. Naast het begijnenhuis, het uit 1465 daterende kerkgebouw met een aparte sacristie en waterput, werd onlangs ook een beerput aangetroffen. In het begijnenhuis werd de keuken blootgelegd. Naast de keuken zijn 3 potten gevonden van blauw grijs aardewerk uit circa 1380. Dit waren waarschijnlijk voorraad potten.
Een kapel van 40 meter! (apr. 1998)
In april 1998 blijkt dat de kapel, die tot dan toe 19 meter lang gedacht werd, veel verder doorliep dan gedacht. 40 Meter bleek de kapel te zijn en hij was voorzien van een abscis. Dit verklaarde de begravingen die tot dan toe buiten de kapel gedacht werden. Dit zijn waarschijnlijk belangrijke personen geweest die in de kapel begraven zijn. Het klooster van Oldenzaal kan hierdoor gerekend worden tot de categorie van Frensbergen en Albergen.

Tijdens het graven van de parkeergarage (-sep 1998)
Tijdens het graven van de parkeergarage mochten de A.W.N. medewerkers meekijken, en indien mogelijk werden werkzaamheden hierop aangepast. Hierbij zijn nog diverse gebouwen en putten tevoorschijn gekomen. Het meest bijzondere in deze tijd was de vondst van een spieker (voorraadschuur), een 5 meter diep gebouw, opgetrokken uit zware eiken palen en steen. Het was volledig gevuld met beer, en zou derhalve (later) ook een beerput geweest kunnen zijn. Het gebouw is vermoedelijk rond 1300-1400 gebouwd. In een zandstenen waterput die op het eind nog werd blootgelegd, zin zeer veel vondsten gehaald, zoals handbezems, kapotte pispotten, scherven van aardewerk, etensresten. Het vermoeden bestaat dat deze put toebehoorde aan de keuken van het klooster.
En nu verder
Nu de graafwerkzaamheden zijn afgerond, moet er nog zeer veel uitgezocht worden. Het al eerder genoemde glas, de scherven uit diverse putten, losse vondsten, beer resten, beenderen etc.. Verder moet alle informatie in een historische context geplaatst worden. Hiervoor is een stichting in het leven geroepen, met als doel het leveren van een betaalbaar, toegankelijk boekwerk over het agnesklooster en haar geschiedenis.
Gemeentehuis: 1100 jaar oude bruchtgracht.
De verwachtingen waren hooggespannen rond de opgraving die werd uitgevoerd vanwege de uitbreiding van het gemeentehuis. Naar alle waarschijnlijkheid zou de oude burchtgracht, die rond het jaar 900 was aangelegd om de houten kerk van Marcellinus, voorloper van de Plechelmus, gevonden worden. In 1964 was al een deel van de gracht gevonden bij de aanleg van het gemeentehuis, maar dat was toen niet verder onderzocht.
De opgraving van de vrijwilligers van de archeologisch werkgroep Nederland (AWN) heeft inderdaad een deel van de gracht blootgelegd. De gracht zelf was geheel vrij van vondsten, maar wel is weer een deel van het verloop van de gracht vastgelegd. Waarschijnlijk betreft het hier een voorgracht. De AWN hoopt dat bij het bouwrijp maken van het gebied rond de grote markt nog een deel gevonden zal gaan worden. Tot op heden zijn drie delen vastgelegd, te weten onder de ABN bank, onder het gemeentehuis en onder de uitbreiding van het gemeentehuis aan de kant van de Hofkerk.
Naast de gracht zijn er nog drie houten putten blootgelegd, waarvan een waarschijnlijk aan een rijke familie toebehoorde. Er werden 25 boekbeslagen in deze put gevonden van zilver, messing en koper. Verder werden een lakzegel stempel, drinkglazen, munten, een braadpan en een oude piespot gevonden. Al dit materiaal dateert van voor 1500.
Bijzonder was ook een stortplaats voor aardewerk. Een gebied van circa 4m2 lag bezaaid met scherven. Hiertussen werd ook een leien zonnewijzer gevonden.
4000 jaar oude beker
Bij opgravingen aan de Schipleidelaan, waar de nieuwe begraafplaats is gepland, heeft de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) de scherven van een beker uit 2000 voor Christus gevonden. Het gaat om een zogenaamde wikkeldraadbeker van een voor Nederland zeldzaam type. Het bekertje was op het bovengedeelte versierd met horizontaal lopende groeflijnen, waarbinnen op enkele plekken dicht gewonden wikkeldraad-afdrukken zichtbaar zijn. De ROB bekijkt in hoeverre het voorwerp, dat niet compleet is, gerestaureerd kan worden.
De rijksdienst begon met hooggespannen verwachtingen aan het werk, omdat het een deel van een dekzandrug betreft waarin verderop al diverse vondsten zijn gedaan. De ROB heeft de opgraving op het terrein afgesloten en interpreteert momenteel de vondsten. Voor een deel is de ROB echter gestuit op niet op te lossen raadsels.
ROB-woordvoorder A. Verlinde beschrijft het bekertje als de vondst van een speld in een hooiberg. Waarom het hier is aangetroffen met alleen wat vuursteentjes erom heen valt niet te verklaren. Een grafkuil is niet aangetroffen. Verlinde: 'De enige hoop is dat we ooit ergens in Nederland weer zo'n speld in de hooiberg vinden met een omgeving die meer informatie prijsgeeft'. De wikkeldraadbeker dankt zijn naam aan de manier waarop die werd versierd. Een voorwerp -vaak een stukje bot- werd met draad omwikkeld en vervolgens in de natte klei afgedrukt waardoor er een lijnpatroon achterbleef.
De proefsleuven die de ROB groef, wezen uit dat de zandrug is afgedekt met een esdek of ophopingslaag van 50 tot 75 cm. Daaronder ligt een deels verploegde, natuurlijke bodem. Op basis hiervan en de vondst van enkele scherven onderin het esdek concludeert de ROB dat het gebied omstreeks het begin van de 17e eeuw door de keuterboeren in cultuur is gebracht. De ROB heeft een goed beeld kunnen krijgen van de manier waarop de bodem geschikt werd gemaakt als akkerland. De sporen geven aan dat de boeren op elk perceel evenwijdig lopende greppeltjes groeven en die onmiddellijk weer vulden met zand uit de naastgegraven sleuven. Zo mengden zij arme en rijke grond en braken zij de harde onderlaag waardoor de wortels van de gewassen beter konden groeien.
Een raadsel vormen de 'kuilen' die verspreid over een deel van de greppels werden ontdekt. De kuilen op afstanden van een tot twee meter van elkaar, vormen een langgerekt patroon over vijftien meter. De ROB zegt geen enkel aanknopingspunt voor de interpretatie ervan te hebben. Op een topografische kaart van 1840 staat dichtbij dit opgravingsgebied een boerderij getekend met de naam 'Koopman'. Maar ook dit helpt de ROB niet op weg. Andere historische documenten die bij de verklaring zouden kunnen helpen, zijn er niet.
Verlinde:'We hebben gemerkt hoe hard de ondergrond is en dat het een flinke inspanning vraagt om kuilen te graven. Maar waaom de mensen toen die uitzonderlijke inspanning hebben geleverd kunnen wij niet beredeneren. Ze hebben iets gedaan wat volledig afwijkt van de normale gang van zaken'.
(Overgenomen uit dagblad Tubantia, maart 1998)
Bronstijd aardewerk op Graven Es.
Het terrein waar nu de nieuwe wijk van de Graven Es gebouwd wordt, werd in de bronstijd al bewoond. Leden van de archeologische werkgroep Nederland (AWN) afdeling Twente hebben sporen ontdekt uit de late bronstijd/ vroege ijzertijd (800-700 voor Christus). De sporen bestonden voornamelijk uit paalkuilen en verder tientallen scherven. Ook met nader onderzoek heeft de AWN tot op heden geen boerderij kunnen reconstrueren uit de paalgaten. Het was geen toeval dat de AWN op dit terrein zocht. In opdracht van de gemeente Oldenzaal was hier al archelogisch onderzoek verricht door RAAP (Regionaal Archeologisch Archiverings Project). Tijdens dit booronderzoek kwamen vondsten tevoorschijn, die duiden op prehistorische bewoning van het gebied.
De belangrijkste vondst in dit gebied is een bijna complete schaal uit de bronstijd.
Stadsmuur uit 14e eeuw
Tijdens de aanleg van een groenstrook bij winkelcentrum de driehoek is door vrijwilligers van de archeologische werkgroep Nederland (AWN) een deel van de 14e eeuwse stadsmuur blootgelegd. Deze muur is onderdeel van het tweede verdedigingsstelsel dat om Oldenzaal werd getrokken. De eerste linie werd veel dichter om de Plechelmus basiliek aangelegd. Het uitgebreide verdedigingssysteem bestond uit een buitengracht en een binnengracht, waartussen een aarden wal lag. Binnen de binnengracht lag de stenen muur, waarvan nu een restant gevonden is. Het verdedigingsstelsel had ook 6 bastions en 3 ravelijnen. Een bastion was bedoeld om de rechte stukken muur goed te verdedigen. Een ravelijn bevond zich voor iedere stadspoort. Vanaf de ravelijn konden ook stukken muur worden verdedigd. Tevens bevonden zich hier de verbindingen naar buiten de stad. Deze lagen nooit in het verlengde van de poort. De poorten die de stad kende waren de steenpoort, de Deurningerpoort en de Bisschopspoort. De huidige straatnamen herinneren nog aan deze poorten. De buitengracht had gemiddeld een breedte van maar liefst 18 meter. De oppervlakte van Oldenzaal binnen de stadsgrachten bedroeg in die tijd 31,5 Hectaren.

In 1626 werden de muren om de stad grotendeels geslecht, op laste van de staatse troepen die de spanjaarden net weer hadden verjaagd. Tot die tijd was Oldenzaal regelmatig bezet door steeds weer andere legers of bendes. Om hier een eind aan te maken eiste men dat de vestingswerken vernield werden. Vanaf 1626 werkten 2000 Oldenzalers (bijne de gehele bevolking!) aan het dempen van de grachten en het slechten van de muren. Echter in het midden van de 17e eeuw werden de muren opnieuw opgetrokken. Waarschijnlijk is de stadsmuur na het jaar 1700 geleidelijk aan verdwenen. Tot 1924 waren er echter nog stukken van de stadsmuur zichtbaar. Het allerlaatste stuk muur , dat onderdeel was van cafe De steenpoort, verdween in 1965.
De verwachting is dat grote stukken van de muur zich nog in de grond bevinden.
Verrassingen aan de Ganzenmarkt
Op het terrein van de voormalige Plechelmusmavo is eind 2001, begin 2002 een proefonderzoek uitgevoerd door BAAC in samenwerking met de plaatselijke leden van de Archeologische Werkgroep Nederland (AWN). Het gebied in kwestie staat bekend als terrein waar in de middeleeuwen stadsakkers waren. Het terrein sluit aan op het gebied waar delen van de oude walburchtgracht zijn gevonden. Gebaseerd op de al gevonden delen, wordt de kans dat op dit terrein nog delen van deze gracht gevonden worden gering geacht.
Gedurende het onderzoek werd een oude, 10 meter brede gracht gevonden, maar dit was niet de walburchtgracht. De gevonden gracht was tot nu toe onbekend en stamt uit de dertiende, begin veertiende eeuw. Tevens zijn er sporen van looppaden gevonden, wellicht van voor de aanleg van de gracht. Mogelijk heeft er een houten pad door een beekje of vennetje gelopen. Door middel van onderzoek van hout en aardewerkscherven zal een datering van de vondsten gedaan worden.
Naast de gracht werd er nog een negentiende eeuwse put en een zeventiende eeuws muurtje gevonden.
Havezathe op de Eekte?
Op 8 augustus 2002 is door archeologisch adviesbureau RAAP een verkennend onderzoek gedaan op de lokatie van de frima Reef aan de Eektestraat in Oldenzaal. Dit onderzoek heeft aabgetoond dat er twee ronde grachten op het terrein aanwezig zijn en mogelijke resten van bebouwing. Over de exacte datering van het type gebouw bestaat geen zekerheid. Een eerste optie is dat het om een van oorsprong laat Middeleeuws omgracht terrein gaat, met mogelijk een spieker, waar in de 17e eeuw de buitenplaats De Eekte is gebouwd. Een tweede optie is dat de grachten en het ronde perceel deel uitmaken van een tuin- of parkaanleg bij de naastgelegen boerderij/landhuis. Het gebouw zou dan mogelijk een theekoepel zijn. Het gaat dus om een terrein met waarschijnlijk sporen uit de nieuwe tijd mogelijk een fabrikantenbuitenplaats, een typisch Twents verschijnsel aldus het RAAP onderzoek.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek door vrijwilligers van de archeologische werkgroep Nederland (AWN) is de aanwezigheid bevestigd van ten minste één gedempte of dichtgegroeide binnengracht en mogelijk een tweede gedempte of dichtgegroeide buitengracht. De binnengracht is in beide proefsleuven aangetroffen. Deze binnengracht heeft een totale breedte van ongeveer 12 meter. De grachtvulling bestaat uit twee gedeelten. Vanuit het eiland gerekend bestaat de vulling van de eerste 5 meter uit donkergrijs humeus gekleurd zand. In de bovenlaag hiervan bevinden zich een smalle puinbaan met fragmenten van bakstenen, dakpannen. Daamaast, verspreid, fragmenten van gebruiksaardewerk Het tweede gedeelte, met een breedte van ongeveer 7 meter, bestaat uit een lichtgrijze grachtvulling. De bovenlaag hiervan is relatief arm aan bouw- en aarderwerkfragmenten. De indruk bestaat dat de binnengracht vanuit de buitenkam gedempt is, waarvan de laatste 5 meter naar alle waarschijnlijkheid langer open zijn gebleven. Om de aard van het puin en aardewerkfragmenten te controleren is er in de donkergrijze grachtvulling van beide proefsleuven een klein proelkuiltje gegraven. Het uit deze kuilen verzameld materiaal bestaat uit fragmenten van bakstenen, dakpannen en aardewerkscherven. Samen met het aan de oppervlakte verzameld materiaal is een datering van 18e en 19e eeuw voor deze scherven het meest waarschijnlijk. De buitengracht is alleen in proefsleuf B aangetroffen. De grachtvulling bestaat uit een lichtgrijs/geel gemengd zandpakket met een smalle puinbaan. Deze smalle puinbaan bestaat uit fragmenten van bakstenen en dakpannen. De totale breedte van deze gracht is ongeveer 8 meter. Uitgaande van een eiland met een doorsnede van ±20 meter, zou de buitendiameter van deze buitengracht ongeveer 84 meter zijn. In de oostelijke proefsleuf is deze gracht niet aangetroffen. Daar, waar de gracht verwacht mag worden, is de grond ter plaatse "dol". Over een lengte van ongeveer 16 meter voelt de "ondergrond bij het lopen sterk "bewegelijk" aan.
Het eiland kon door de verwijdering van de wal terplekke, voor een klein gedeelte in proefsleuf B onderzocht worden. Hierin bevinden zich geen zichtbare paal- of funderingsporen. Zoals aangegeven in de RAAP notitie, kan de oorzaak hiervan wellicht gelegen zijn in het feit dat het gehele terrein in het verleden ongeveer I meter is afgegraven.De kleine puinsleuf in de buitengracht suggereert eveneens de aanwezigheid van vroegere bebouwing binnen de eerste en tweede gracht.
Helaas heeft de AWN het onderzoek niet kunnen afronden, doordat inmiddels de bouw van de werkplaats van de firma Reef begonnen was. Leden van de AWN hebben de vrachtwagens met grond gevolgd en hierbij is een grote hoeveelheid aardewerk gevonden, kleipijpen en een grote hoeveelheid flessen. Daarnaast nog enige topvondsten in de vorm van munten, een tinnen bord, tinnen lepels, een schaartje en een zonnewijzer. Datering van deze vondsten moet nog plaats vinden. Extra zuur was dat de breukvlakken van de meest grote stukken aardewerk grotendeels 'vers' waren en er dus grote delen van borden en potten tijdens het afgraven en vervoer gebroken waren. Dit had qua vondsten een top opgraving kunnen zijn! Inmiddels zijn de restanten onder een akker geploegd. Overigens is de medewerking van de firma Reef goed geweest. Naast het verwijderen van een wal en het beschikbaar stellen van graaf apparatuur, mochten AWN leden tijdens werkzaamheden op het terrein komen.